Visitekaartjes

Josefien Sjoerds dook in de geschiedenis van de visitekaartjes en dat leverde een prachtig artikel op dat je nu op dit blog kunt lezen.

Josefien Sjoerds: ‘In de meest uiteenlopende bedrijfstakken is het tegenwoordig gebruikelijk dat medewerkers worden voorzien van visitekaartjes, die ze uit kunnen delen aan iedereen waarmee ze beroepsmatig contact hebben. Het zijn over het algemeen kleine kaartjes waarop hun naam staat, hun functie, de naam van het bedrijf, website, een telefoonnummer, e-mailadres en andere relevante informatie. De meeste mensen bewaren ze in hun portefeuille, agenda of in een speciaal mapje er voor. Er zijn geen regels voor het gebruik of voor het uiterlijk van het kaartje, er is geen etiquette. Maar met het brengen van een “visite” heeft het helemaal niets meer te maken en ik vroeg mij af hoe dat eigenlijk ooit was… .


Een paar generaties geleden was de communicatie tussen mensen beperkt tot het sturen van een brief of het brengen van een persoonlijk bezoek en het naamkaartje – zoals het toen nog heette – was daarin een belangrijk middel en gekoppeld aan bezoek. Omdát de kaartjes daarin zo belangrijk waren, eigenlijk een sleutelrol vervulden, werden naamkaartjes na verloop van tijd visitekaartjes genoemd.

Er waren veel regels en normen voor het gebruik van het kaartje, die vooral in hogere kringen in acht werden genomen. Hoewel toen ook vorm en uitvoering aan mode onderhevig was lag de voorkeur bij een eenvoudig wit kaartje met simpele letters. Gekleurde kaartjes gebruikte men eigenlijk niet en werden afgeraden, zelfs voor jonge meisjes. Eenvoud was het kenmerk.

Op het kaartje stond vaak alleen de familienaam, zelfs geen adres of andere informatie.


Een echtpaar had vaak samen één kaartje, maar de man had dan voor zijn professionele contacten nog wel een andere. Had de vrouw dat óók, dan gebruikte ze daarvoor ook een apart kaartje.


Onderstaand kaartje laat je nu de wenkbrauwen fronsen want hierop werd niet eens de moeite genomen de naam van de vrouw er bij te zetten. Overigens betekent het wereldbolletje aan de linkerkant dat deze man geen alcohol of drugs gebruikte. I.O.G.T is namelijk de Internationale Orde van Goede Tempeliers, een wereldwijde geheelonthouders organisatie.


Een Nederlander die in het buitenland werkte liet zijn kaartje soms aan twee zijden bedrukken. De vroegere eigenaar van dit kaartje bijvoorbeeld werkte in Pernau, in Estland, destijds vallend onder Rusland. Op de keerzijde staan zijn Nederlandse gegevens.


De ‘voertaal’ op de kaartjes was in hogere kringen meestal Frans. Op het kaartje van de Koningin stond dan ook: La Reine des Pays-Bas. (Dat kaartje heb ik helaas niet…) In plaats van de heer en mevrouw gebruikten sommigen dan ook: “monsieur et madame”.


Een ongehuwde vrouw kon mejuffrouw voor haar naam zetten en dat mocht niet worden afgekort, mademoiselle mocht wél verkort worden.


Speciale kaarten sturen voor een verjaardag of geboorte was niet echt gebruikelijk, je stuurde gewoon je visitekaartje – of gaf het af aan de deur – met een korte mededeling daarop, die meestal ook nog afgekort werd. Bijvoorbeeld:
p.f = pour feliciter om te feliciteren
p.c. = pour condoler om te condoleren
p.r. = pour remercier om te bedanken
m.h.g. = met hartelijke gelukwens
m.h.d. = met hartelijke deelneming
t.a. = ten afscheid

Het lijkt me dat de gebruikte afkortingen soms wel een puzzel waren voor de ontvanger, zoals deze:


Je kon de, soms heel kleine, kaartjes gewoon per post versturen in een bijbehorend envelopje, met de bedrukte kant naar achteren. Je mócht ‘m dichtplakken en als brief verzenden, maar volgens de regels vouwde je de punt van het envelopje alleen naar binnen.

Toen Neeltje Smit en Cornelis van Baalen in 1923 trouwden kregen ze een heel stel visitekaartjes in de bus bij wijze van felicitatie, maar op sommigen stond geen letter geschreven. Kennelijk moest je het kaartje op zích als felicitatie opvatten. De meeste envelopjes aan dit stel hadden geen andere adressering dan de woonplaats…


… en plaats voor een postzegel was er eigenlijk ook niet… .


Mensen, die tot de adel behoorden lieten hun titel op het kaartje drukken, zoals deze jonkheer.


Óf men voorzag het kaartje van een kroontje. Als het kroontje op het kaartje stond mocht men de adellijke titel niet meer vermelden.


De uitvoering van het kroontje was weer aan strenge regels gebonden en afhankelijk van de hoogte van adelstand.

Het gebruik van kleur komt in een kaartje in die tijd niet voor, maar na een overlijden gebruikte een rouwende persoon kaartjes met een zwarte rand. De breedte van de rand werd bepaald door de ‘zwaarte’ van de rouw.


Bij een visite werd het kaartje altijd persoonlijk afgegeven aan de deur, zónder envelopje. De persoon, die een visite wilde afleggen, gaf altijd zijn kaartje af aan het dienstmeisje, of de familie nu wél of niet thuis was. Om duidelijk te maken dat je de bezochte persoon wilde spreken en om die reden persoonlijk aan de deur was geweest werd een vouw aangebracht in het kaartje: een hoekje omvouwen was genoeg, maar je mocht ook het hele kaartje dubbel vouwen. Dat betekende dat je een tegenbezoek verwachtte. Als niemand, zelfs de dienstbode niet, de deur open deed dan gooide je het kaartje, ook zonder envelopje, in de brievenbus.

Als man en vrouw samen op visite gingen konden ze eventueel twee kaartjes aan de dienstbode afgeven. Met z’n drieën ergens op visite gaan was ongepast. Op bezoek gaan deed men in de regel ‘s middags en bij voorkeur op de aangegeven ‘ontvangdag’ als die werd gehouden. Men bleef altijd maar kort, ongeveer 15 à 20 minuten. Op het visitekaartje van de vrouw des huizes werden de ontvangtijdstippen bekend gemaakt: een bepaalde dag per week, veertien dagen of maand. Hoorde je tot de vrienden en bekenden dan was het gepast zo af en toe op de ontvangmiddagen te verschijnen. Het aflopen van visites was een deel van de tijdsbesteding van veel vrouwen. Sommige vrouwen vonden de ontvangdag echter zó verplichtend (want wat te doen als je onverhoopt niet thuis kon zijn…?) dat ze er vanaf zagen en dat dan op hun kaartje vermeldden: geen ontvangdag. Als bezoeker liep je dan een groter risico dat je niemand thuis trof, uiteraard, maar af en toe werd dat ook als ‘meevaller’ beschouwt: je was geweest, je kaartje was afgegeven, maar het had je niet veel tijd gekost… .


Het vermelden van een voornaam, zoals op dit kaartje, betekende meestal dat die persoon nog vrij jong was.

Kwam je nieuw in een omgeving wonen dan gaf je je kaartje – zodra ‘de gordijnen hingen’ – af bij twee huizen links, twee huizen rechts en twee tegenover je eigen woning. Je kon dan verwachten dat je nieuwe buren op één van de twee volgende zondagen kennis kwamen maken. Stuurden ze echter een kaartje terug dan zou het niet van bezoeken over en weer komen, maar groette men elkaar verder beleefd op afstand.

Als je een uitnodiging van iemand had moeten afslaan bracht je binnen zeer korte tijd die persoon een bezoekje om te bedanken voor de uitnodiging. Bij zo’n beleefdheidsbezoekje kon je het vaak afdoen met het afgeven van je kaartje, het was de gastvrouw dan ook toegestaan je niet te ontvangen als ze wel thuis was… het was over en weer een sociale verplichting.

Hoe je de visite doorbracht, hoe lang je bleef en hoe je werd ontvangen, welke kleding je droeg, wat er werd geserveerd en hoe je vervolgens weer werd uitgelaten: alles kende een duidelijke etiquette, maar het voert een beetje te ver om daar nog op in te gaan. Oude boeken zoals “Hoe hoort het eigenlijk?” (1939) van mevr. Groskamp- ten Have of anderen geven je desgewenst een goed beeld van de manieren van die tijd, ongeveer 80 tot 100 jaar geleden. Ik heb dát boek en ook onder andere “Vormen en Manieren” uit 1922 van Anthonia Margaretha geraadpleegd en “Het Wetboek van Mevrouw Etiquette” uit 1893. Bovendien heb ik met veel aandacht gekeken naar de stapel oude visitekaartjes (die ik voor dit doel grotendeels cadeau heb gekregen van dhr. Bönnekamp van Ensoi) en het viel me bijvoorbeeld op dat de eigen naam van de echtgenote – als die al werd vermeld – bijna altijd in een kleiner lettertype was gedrukt dan de naam van haar man.


Het formaat kon erg verschillen. Het grootste kaartje dat ik hier heb was 7 bij 10 cm, het kleinste 2,5 bij 5,5 cm, een bij elkaar geniet stapeltje in een piepklein leren houdertje en zo te zien nooit gebruikt… .


De Eerste en Tweede Wereldoorlog hebben volgens mij langzaam het einde ingeluid aan deze gang van zaken. Het werd door personeelsgebrek steeds minder gebruikelijk dat huishoudens over dienstbodes beschikten (steeds minder meisjes en vrouwen wilden het werk doen) en de regels kwamen nogal onder druk toen het noodzakelijk werd dat bijvoorbeeld de grotere kinderen de deur openden of mijnheer en mevrouw zélf. Toen vrouwen vaker gingen werken en bovendien telefoons hun intrede deden kreeg onderlinge communicatie een heel andere dimensie. Wél grappig dat de benaming ‘visitekaartje’ is gebleven, want dát slaat toch nergens meer op!?

Als afsluiter het kaartje van onze minister-president tussen 1948 en 1958: Willem Drees. Hij maakte van de gelegenheid gebruik de ontvanger op te roepen te gaan stemmen:
… wat uw politieke richting ook is ik verzoek u in elk geval vandaag te gaan stemmen. Het is van belang dat heel ons volk zich uitspreekt… . was getekend W. Drees.’