Evert Thielen in het Limburgs Museum


In het Limburgs Museum is tot en met 5 mei 2019 de tentoonstelling 50 Jaar Thielen – De ogen van de meester te zien. Nooit eerder was er zoveel werk van deze kunstenaar op één plek te zien. Zijn complete oeuvre aan veelluiken, zes indrukwekkende giganten, is op de tentoonstelling te bewonderen. Daarnaast zorgen 115 kleinere schilderwerken voor een compleet beeld van het leven en werk van de kunstenaar. Alle veelluiken worden meerdere keren per dag geopend en gesloten, zodat alle voorstellingen van deze werken te bekijken zijn. Op 6 februari bezocht ik deze tentoonstelling die absoluut een aanrader is! De kans zal zich niet snel weer voordoen dat je alle veelluiken en zoveel kleinere werken van Evert Thielen bij elkaar te zien krijgt.


Vergezicht 2013.


Apocalyptische ruiters – 1975.

In 1975 slaagde Evert Thielen voor het toelatingsexamen van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Gaandeweg kwam hij erachter dat abstracte kunst de norm was op de academie. Thielen wilde echter figuratief schilderen en zich verdiepen in de oude schildertechnieken van sobere, heldere kleuren. Met kant-en-klare olieverf uit een tube was dat niet mogelijk. Hij ging op zoek naar pigmenten, verfwrijvers en kennis. Hij kwam in contact met de kunstenaar Ab Overdam, die zelf zijn eigen verf maakte. Overdam bleek een goudmijn aan informatie. Thielens zoektocht vormde uiteindelijk de basis voor zijn gehele cultuurfilosofie.


Veelluik Unified 1992-1996.


Veelluik Unified 1992-1996.


Het eerste veelluik De Schilderkunst 1979-1980.


Het gesloten veelluik De Schilderkunst 1979-1980.


Het veelluik Het Verlangen 1999-2002 wordt geopend.


Linksboven: Lezende vrouw bij daglicht – 2006. Linksonder: lezende vrouw bij lamplicht – 2006. Rechtsboven: Lezend meisje – 1997. Rechtsonder: Lezende vrouw – 2012.


Dakterras 2007.


Vrouw als tolk
Vrouwen spelen in de werken van Thielen vaak een hoofdrol. In de portretten is de gelijkenis met de geportretteerde vrouw het belangrijkst. Houding, gezichtsuitdrukking, omgeving en attributen drukken haar persoonlijkheid uit.

De afgebeelde vrouwen op de veelluiken hebben een dienende rol in het geheel van de compositie. Ze ondersteunen het verhaal dat Thielen wil vertellen. Veel vrije werken met vrouwen bevatten surrealistische elementen; de scènes zijn in werkelijkheid niet mogelijk.

Het vrouwelijk model is niet alleen aanwezig op het schilderij om mooi te zijn. Zij staat voor de denkwereld van de kunstenaar, zoals zij al zo vaak deed binnen de geschiedenis van de kunsten. Door de vrouw af te beelden, kan Thielen zijn diepste gevoelens kwijt in zijn schilderijen. Hij laat zo het publiek heel dichtbij komen.


Veelluik Bellenhof 2005-…

Bron tekst: Limburgs Museum

In 2005 bezocht ik een expositie van het werk van Evert Thielen in het Noordbrabants Museum waar je in dit bericht over kunt lezen.

Brood uit Emden, eieren en koffiekan – Henk Helmantel


Op het prachtige schilderij Brood uit Emden, eieren en koffiekan van Henk Helmantel zien we wederom een mangeldoek net als op dit schilderij. Het is nog steeds een zeldzaamheid om een mangeldoek op een schilderij afgebeeld te zien. Beide kaarten ontving ik van Lies Huizer.

Ik heb al regelmatig over mangeldoeken geschreven op dit blog. Een terugblik naar enkele berichten: mangeldoeken op de Handwerkbeurs Zwolle, mangeldoeken in Historisch Museum de Bevelanden, mangeldoeken in Veldhoven, mangeldoeken in Roermond, mangeldoeken in het Limburgs Museum en als laatste noem de publicatie Wascht en manghelt glat of ick sla iou vor iou gat die ik schreef over mangelen en mangeldoeken.

Inmiddels is mijn mangeldoekencollectie aardig groot geworden; een beetje té groot. Voor mij een reden om wat te gaan inkrimpen ofwel ontzamelen. Mangeldoeken zijn fraaie doeken waarop vaak een gedeelte van het wasproces staat afgebeeld, maar ook zie je gestileerde bloemmotieven of alleen randmotieven. Allemaal even mooi en bijzonder. Een mangeldoek is erg decoratief en komt bijvoorbeeld goed tot zijn recht op een tafel, of tegen een muur of gewoon op een bank of stoel, of in een speciale wasruimte. Wil je meer weten dan kun je me een berichtje sturen via het contactformulier dat je rechtsboven op dit blog vindt.

Pronck & Prael – Sits in Holland

Donderdag 31 januari 2019 werd in Museum Spakenburg het boek Pronck & Prael – Sits in Holland van Winnifred de Vos gepresenteerd. Hier kun je een filmpje van de boekpresentatie bekijken.


Sits met geborduurde bloemmotieven: de patronen volgen de beschildering. Deze stof werd in Europa per meter aangeleverd en hier verwerkt. N.W. India, Gujarat, 1720-1740, beschilderd katoen, sitstechniek, zijdeborduursel. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

De publicatie Pronck & Prael is onderverdeeld in vijf hoofdstukken: Het tijdsbeeld, De VOC, De sitsen, Sits in de mode en Sits in streekdrachten.

Het tijdsbeeld
‘De basis van het verhaal over Indiase sitsen en alle aanverwante ‘pronck en prael’, die de 17e en 18e eeuw zo kenmerkte, ligt in het Verre Oosten van circa 1200′, schrijft Winnifred de Vos. Vervolgens gaat zij in 34 pagina’s uitgebreid in op de geschiedenis van de handel en zo komen we te weten dat de Nederlandse zeehandel op Azië in de loop van de 18e eeuw voor 75% uit textiel bestond, goed voor jaarlijks 5 à 10 ton goud in het VOC-laatje. Sitsen leverden veel geld op.

De VOC: de Verenigde Oostindische Compagnie
In 1594 werd de Compagnie van Verre opgericht die de eerste Hollandse expeditie van De Houtman en Keyser financierde. Op 20 maart 1602 richtte de Staten-Generaal de Generale Vereenichde geoctrooieerde Compagnie op en in 1623 werd aan de naam van de Generale Compagnie ‘Oostindische’ toegevoegd. De Vereenigde Oostindische Compagnie – VOC – zou opereren tot 1795. De VOC kreeg al snel belangstelling voor onder andere: kostbare houtsoorten, thee, koffie, suiker, koper, tin, ivoor, goud, zilver, parels, neteldoek en zijde. De sitsen die eveneens gebruikt werden binnen het ruilsysteem van de ‘Indische buytenhandel’ betekenden zoveel voor de thuismarkt dat ‘cattoene cleedtjens’ na 1664 niet meer geruild, maar geëxporteerd werden naar Nederland. De reizen waren niet ongevaarlijk. Roofdieren, ‘schobjacken’ en ‘struyckrovers’ moest men van zich af weten te houden en het kon ‘sterck en dapper’ regenen. Om ziekte en sterfte onder de bemanning op de schepen te beperken besteedde de Compagnie relatief veel aandacht aan hygiëne.


Fragment van ‘Hindeloopens Bont’ met symmetrisch kantpatroon, bloemranken en grote bloemarrangementen tegen een okergeel fond. Coromandel (India), 1720-1730, beschilderd katoen, sits- en uitsparingstechniek, 59 x 118 cm. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

In 1662 was Amsterdam na Rome en Parijs de 3e hoofdstad en rond 1670 telde de stad ruim 100.000 inwoners. Er ontstond een winkelgebied en vanaf circa 1683 vestigden zich sitshandelaren in de Warmoestraat Ze verkochten ‘Inlandsche of Hollantsche sitse’, maar ook Franse, Turkse en smalle Engelse sitsen. De stoffenhandel floreerde: op een lijst uit 1742 staan 80 sitswinkels, 72 katoenwinkels, 74 linnenwinkels, 63 lakenwinkels, 88 stoffenwinkels en 27 zijdewinkels vermeld. Een bloeiende handel!



Deken met een bloeiende boom en grote bloem- en bladmotieven. Bloeiende bomen op heuveltjes waren het meest vervaardigde motief voor de westerse markt. Coromandel (India), begin 18e eeuw, beschilderd katoen, sitstechniek. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

De sitsen
Na de uitvoerige en grondige beschrijving over de handel volgt het hoofdstuk De sitsen. Ook hier wederom een gedetailleerd verslag met vele – vaak paginagrootte – afbeeldingen van fraaie sitsen. De Vos gaat in op handbeschilderde sits uit de Oost die zijn kleur behield en de goedkopere bedrukte varianten uit Europa die problemen had met verkleuring omdat men pigmenten gebruikte in plaats van kleurstoffen. De vroegste sitsen voor Europa vertoonden florale fantasiemotieven. Deze waren zo gewild dat ze ook tijdens de hele 18e eeuw aanwezig bleven in mode en decoraties. De bloeiende boom groeide uit tot het bekendste motief voor de westerse markt. Sitsen met gestileerde bloeiende plantjes of boeketjes zien we terug in de Hollandse streekdrachten, met name voor kinderkleding en kraplappen. De motieven waren ook onderhevig aan de mode. Zo kwam er eind 17e eeuw vraag naar figuurscènes en eind 18e eeuw raakten gestreepte stoffen in de mode. In de 18e eeuw ziet men steeds vaker Europese sits in de winkels, onder de namen als Engels katoen, Duits katoen, Turkse, Duitse of Engelse sits. Deze stoffen werden bedrukt met koperen of houten blokken. In Nederland kwamen circa 100 drukkerijen, waarvan er 80 in Amsterdam stonden. De Nederlandse katoendruk floreerde vanaf de opkomst eind 17e eeuw tot begin 18e eeuw. Hierna liep het aantal drukkerijen snel terug terwijl in landen als Frankrijk, Zwitserland en Engeland de katoendruk toenam. In 1787 waren er van de 80 katoendrukkerijen nog 17 over, in 1816 nog 1: Overtooms Welvaren. Ook het aantal stoffenwinkels slonk: van 117 in 1767 naar enkele tientallen in 1776. De VOC strandde en het werd stil op de handelskades: het laatste jaartal van een zending was in 1795.


Japonse rok, samengesteld uit spiegelend verwerkte banen sits met een patroon van grote bloemen, vruchten en knoestige takken. De sluiting heeft tressen en knopen. India, 1760-1780, beschilderd katoen, sitstechniek. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Sits in de mode
In de tweede helft van de 17e eeuw droegen de beschááfde dames in Nederland steeds vaker sits. Dit betekende dat de vraag in het laatste kwart van de 17e eeuw toenam. De invoer van compleet vervaardigde sitsen kostuumonderdelen volgde. In de loop van de 18e eeuw werden sitsen bóvenrokken mode, doordat vrouwelijk personeel de gebloemde stof (na afdankertjes van mevrouw) ging dragen naar eigen keuze. Hollandse namaak maakte via toegankelijker prijzen de sitsenrage van de elite toonaangevend voor iedereen. Tot halverwege de 19e eeuw kwam sits nog voor in de burgermode.


Een Marker baaf, in het dessin dat ‘vogeltje van de bort’ wordt genoemd. Coromandel (India), circa 1750, beschilderd katoen, sitstechniek. Collectie Marker Museum.

Sits in streekdrachten
Na de verdwijning van sits uit de stadsmode, vormde de stof in streekdrachten juist een wezenlijk onderdeel. Mannen gebruikten het nadrukkelijk in hemdrokken en vesten en het sitsgebruik explodeerde in de kinder- en vrouwendracht. Inmiddels zijn streekdrachten een zeldzaamheid geworden en de bijbehorende sitsen ondergebracht in museale collectie. Alleen in Bunschoten-Spakenburg gaan nog steeds vrouwen dagelijks in dracht, pronkend met hun hoogglanzende kraplappen. Als afsluiting van haar boek beschrijft De Vos alle klederdrachtvormen waarin sits het uiterlijk bepaalde: De elegantie van Hindeloopen – De Zaanstreek – Spakenburgs gôet – Marken – Het rijke Noorden – Zeeuwse schonen en Overig Nederland.


Jak uit Hindeloopen, met een prachtig patroon van uitwaaierende bloemen en ruitpatronen. Afgewerkt met roze-wit langetband. Coromandel (India), circa 1750, beschilderd katoen, sitstechniek. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Tot zover de introductie van dit schitterende nieuwe standaardwerk over sits. Uiteraard valt er veel meer te lezen en te bekijken in het boek dat zeer de moeite waard is! Winnifred de Vos is grondig te werk gegaan. Zij heeft uitvoerig onderzoek verricht waardoor Pronck & Prael, mede door de vele fraaie afbeeldingen, een magnifiek boek is geworden! Kortom, deze nieuwe uitgave over sits is absoluut een aanrader voor iedereen die gecharmeerd is van fraaie stoffen, een goed informatief verhaal en mooie boeken!


Pronck & Prael – Sits in Nederland van Winnifred de Vos wordt uitgegeven door Waanders & de kunst. De publicatie telt 216 pagina’s, de afmeting is 23 x 28 cm, het boek bevat 235 illustraties in kleur en is een gebonden uitgave. ISBN: 9789462621763. Prijs: € 29,95.

De foto’s zijn afkomstig uit het boek Pronck & Prael – Sits in Holland.

Kijk hier naar het interessante filmpje Op ontdekkingsreis naar de herkomst van onze sitsen.

Femmes Fatales – de tentoonstelling


De tentoonstelling Femmes Fatales – Sterke vrouwen in de mode is nog tot en met 24 maart 2019 te zien in het Gemeentemuseum Den Haag. Onder dezelfde naam is een publicatie te koop waar je in dit bericht over kunt lezen. Onlangs bezocht ik deze bijzondere expositie en maakte ik enkele foto’s om je een indruk te geven.


Robe à la Française (ontbrekend deel aangevuld tijdens restauratie), circa 1740-1760, zijde, linnen, Gemeentemuseum Den Haag.


Links: avondjurk, circa 1920-1924, katoen, zijde, glas, kunststof, Gemeentemuseum Den Haag. Rechts: avondjurk ‘Bagatelle’, lente/zomer 1923, zijde, Gemeentemuseum Den Haag.


Gabrielle ‘Coco’ Chanel, avondjurk, 1939, katoen, zijde, Gemeentemuseum Den Haag.


Achterkant van de avondjurk van Gabrielle ‘Coco’ Chanel.


Mary Katrantzou, jurk, lente/zomer 2018, bruikleen Mary Katrantzou, Londen.


Mary Katrantzou, ensemble, lente/zomer 2018, bruikleen Mary Katrantzou, Londen.


Rei Kawakubo voor Comme des Garçons, jurk, herfst/winter 2016, kunststof, Gemeentemuseum Den Haag.


Vivienne Westwood, ensemble, herfst/winter 2018, bruikleen Vivienne Westwood, Londen.


Vivienne Westwood, ensemble, herfst/winter 2017, bruikleen Vivienne Westwood, Londen.


Mary Quant, coltrui, circa 1968-1970, kunststof, Gemeentemuseum Den Haag.

Harlinger weesmeisjes


Acht weesmeisjes in het uniform van het stadsweeshuis te Harlingen, 1914. Collectie Hannemahuis.

Hier zie je een afbeelding van een pop in kleding van het Harlinger stadsweeshuis. Allex voegde interessante informatie toe die ik graag in dit bericht onder de aandacht wil brengen:

‘In 1805 was de kleding van de weeskinderen ook al een punt van discussie. De inwoners van de stad hadden namelijk geklaagd dat de weeskinderen in het Stads Weeshuis te kostbaar gekleed gingen. Men dacht waarschijnlijk dat de kledingstukken betaald werden uit de Weeshuisbeurs, wat zeker niet het geval was.
Detail: op de bakenloodjes (loden betaalbewijs voor de jaarlijkse belasting tot het in stand houden van de bakens in het Amelander Zeegat) van Harlingen staan de letters A stadswapen K (Armen-Kamer). Dit belastinggeld was bestemd voor het Armenhuis en het Weeshuis. Bron: loodjes.nl.
In de notulen van 7 februari 1805 is het volgende vastgelegd: “Geextraheerd uit de Notulen van het Gemeentebestuur der Stad Harlingen. Donderdag den 7 february 1805; Ten aanzien der Meijden word bepaald.
Dat het huis geen hoedjes nog zonhoeden geeft, maar mogen op eigen kosten en onder goedkeuring van de voogdessen gedragen worden; doch de linten moeten in allen gevalle zwart zijn. Buiten en behalven de Mutsen die het huis geeft, moet ieder op eigen kosten alles en met approbatie van voogdessen kopen, wordende breede strooken en zogenaamde floddermutsen volstrekt verboden. De doeken welke al mede op eigen kosten moeten aangeschaft worden, zullen niet anders dan rode Rouaansche off Oostindische mogen zijn. De schortdoeken zullen zijn blaauw geruit, die voor de eerste maal door het huis zullen gegeeven, doch naderhand op eigen kosten moeten worden aangeschaft, en zich in allen gevalle tot aankoop bij de voogdessen moeten addresseeren. Kousen, schoenen en gespen vallen onder deselve bepaling en als van de jongers. Dit alles ziet op de kleding der Zondags, en wat hier bij niet opgenoemd is, blijft als vooren.” ‘

Crinoline


Amsterdam, 12 februari 1866

Somber weer. Naar de dichter Van Lennep, die op de Keizersgracht woont. Hij was oud geworden, heeft lang wit haar en lijkt op Voltaire, zoals hij zelf opmerkte – en hij trok een gezicht met de narrengrijns van Voltaires borstbeeld. Hij stelde mij in het vooruitzicht dat zijn drama De vrouwe van Waardenburg tijdens mijn verblijf hier zou worden opgevoerd. Hij vertelde dat in Bern de dochter van mevrouw Von Arnim, die gehuwd is met Grimm, hem verzocht had haar hand te drukken, daar hij op haar vader leek.

Daarna ging ik naar de componist Verhulst (Leidsestraat bij de Prinsengracht). Hij was verheugd mij te zien. Noemde Niels Gade de grootste onder de levende Europese componisten, toonde mij ­enkele van Gade’s composities, ­onder andere de Hamlet-ouverture. Ik zag twee vrolijke meisjes: Louise en Anna, zijn kinderen. Zijn vrouw zag er jong en fris uit, maar zij droeg in het geheel geen crinoline, zodat zij er wat rechttoe-rechtaan uitzag.

Voor de koffie naar huis, daarna in regen en wind uit om eens rond te kijken, door de Kalverstraat, een soort Østergade, met winkel na winkel. Naar de Beurs. Toen weer terug naar de Botermarkt (het huidige Rembrandtplein), waar ik het standbeeld van Rembrandt bekeek. Kwam moe thuis. Moet de plattegrond van Amsterdam bestuderen om morgen goed georiënteerd te zijn.

Hans Christian Andersen (1805-1875), Deense sprookjesschrijver. Ingekort fragment uit Hans Reeser: Andersen op reis door Nederland, Walburgpers 1976.

Bron: de Volkskrant

Pop in kleding van het Harlinger stadsweeshuis


MaaikeW: ‘Op de website van het Hannemahuis vond ik niets over deze pop in kleding van het Harlinger stadsweeshuis, wel veel andere verhalen over het weeshuis waaruit duidelijk naar voren komt dat het leven in het stadsweeshuis niet gemakkelijk was en uiteraard geen luxe. Het maakt het voor mij aannemelijk dat deze pop niet bedoeld was om mee te spelen maar meer als voorbeeld hoe de weesmeisjes er uit hoorden te zien al verwacht ik daar geen kanten mutsje en zilveren sieraden bij. In dit weeshuis was de dracht zwart en wit van kleur. Gieneke Arnolli schrijft in een blog voor modemuze.nl over de weeshuispop dat oudere meisjes in het Burgerweeshuis van Leeuwarden een smal zilveren oorijzer kregen als bruidsschat, afscheid van het weeshuis.’

Op de tentoonstelling Max Liebermann – een zomers impressionist in het Gemeentemuseum Den Haag stond een vitrine met daarin drie poppen in weeshuiskleding.


De pop links draagt de kleding van het Burgerweeshuis Amsterdam en rechts is onbekend – midden 19e eeuw.


De pop links draagt de kleding van het weeshuis van Delft en rechts zien we de pop in de kleding van het Burgerweeshuis Amsterdam – midden 19e eeuw.

Het gedroomde Noorden – met een ‘geborduurde cover’


Het is altijd leuk als je een ‘geborduurde’ cover van een boek ontdekt in de boekhandel. Het gaat om het boek Het gedroomde Noorden – een atlas van Adwin de Kluyver.

In Het gedroomde Noorden volgt Adwin de Kluyver met een vinger over de kaart de fascinerende verhalen van ontdekkingsreizigers en gelukzoekers, wetenschappers en fantasten, doeners en denkers, van idealisten en charlatans. Ze verlangden allemaal op geheel eigen wijze naar het Noorden en hebben een rol gespeeld in hoe wij in de loop der eeuwen naar de bovenkant van de aarde zijn gaan kijken.

Hergebruik rokjeskaart


Tineke schrijft: ‘De eerste reis van deze kaart was 20 november 1990 van Benidorm naar Enkhuizen.’ Na ruim 28 jaar stuurt Tineke de kaart naar mij, met een extra toevoeging. Aan de achterkant van de kaart heeft Tineke een velletje kalkpapier versierd met een stempel, geel lintje passend bij de jurk van de danseres en borduursteken zoals de festonsteek; Tineke kent deze steek als de duimsteek. Een mooie manier om een kaart te hergebruiken!