De historie van de schort

Het 2000ste berichtje gaat over De historie van de schort. De tekst kreeg ik toegestuurd door Lies Huizer. Wie de auteur is, is voor alsnog onbekend. Op de foto zie je Lies met haar schort en de pannenlappen zijn gehaakt door José.

Ik geloof niet dat onze kinderen weten wat een schort is.

Het voornaamste gebruik van Opoe’s schort was, om haar jurk te beschermen, omdat ze er maar een paar had.

Maar ook omdat het makkelijker was, om een schort te wassen in plaats van een jurk.

Ze gebruikte de schort ook als pannenlappen, om de pannen van de kachel of uit de oven te halen.

Het diende ook om de tranen en vuile neus van de kinderen af te vegen.

En als ze de eieren uit het kippenhok ging halen, was de schort ook heel handig, om de eieren te dragen.

Als er visite kwam konden haar verlegen kinderen onder haar schort schuilen.

En als het koud was kon ze haar armen erin draaien en opwarmen.

Het was ook heel geschikt om de menige zweetdruppeltjes af te vegen, als ze gebukt stond over de kachel, met koken.

Hout voor de kachel werd ook in de schort binnengebracht.

Uit de tuin droeg ze van allehande soorten groente naar binnen.

En als de erwten gedopt waren gingen de schillen in de schort.

In de herfst werd de schort gebruikt om de appels op te rapen, die onder de bomen lagen.

Als Opoe onverwacht visite aan zag komen, je stond er van te kijken, hoeveel meubeltjes dat ouwe schortje nog kon stoffen, in een paar seconden.

Als het eten klaar was, ging ze naar buiten en zwaaide met haar schort, dan wist iedereen dat het tijd was om binnen te komen.

Het zal nog lang duren, voordat iemand uitgevonden heeft, wat voor zoveel doelen gebruikt kan worden, zoals het schortje!

Vergeet niet! In deze tijd, zouden wij er gek van worden, te weten hoeveel bacteriën er in dat schortje zaten.

Toch heb ik er nooit wat aan overgehouden… of toch?

liefde

Dutch Utopia

Telfair Museum of Art (Savannah, Georgia) opende een jaar geleden de expositie Dutch Utopia, American Artists in Holland 1880-1914. Hierna reisde de tentoonstelling naar Taft Museum of Art (Cincinnati, Ohio), Grand Rapids Art Museum (Michigan) en tot en met 16 januari 2011 zijn de schilderijen te zien in Singer Laren. Gelijktijdig met deze expositie verschijnt de publicatie Dutch Utopia, Amerikaanse kunstenaars in Nederland 1880-1914.

Dutch Utopia, Amerikaanse kunstenaars in Nederland 1880-1914 is een omvangrijk, rijk geïllustreerde publicatie. In het eerste deel worden vijf essays geschreven door historici uit binnen- en buitenland. De schilderijen worden aan de hand van zes thema’s ingedeeld:
– De invloed van de 17e-eeuwse Nederlandse schilderkunst
– De invloed van de Haagse School
– Antimodernisme en de Amerikaanse progressieve beweging
– Verbondenheid: overeenkomsten in nationale identiteit
– Kunstenaarskolonies in Nederland
– Holland in de verbeelding: het ontstaan van Dutchness

Het tweede deel van de publicatie bestaat uit de catalogus. De 73 schilderijen die te zien zijn in Singer Laren worden aan de hand van een illustratie duidelijk beschreven.

De naam Dutch Utopia is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Veel kunstenaars keken bewust door een gekleurde bril naar het Nederlandse platteland, de geschiedenis en het volk. De kunst van Amerikanen, maar ook van veel andere buitenlandse schilders in Nederland, geeft daarom eerder een beeld van een utopische voorstelling van Nederland dan van de werkelijkheid. De realiteit en werkelijkheid loopt door elkaar, de grenzen zijn niet altijd duidelijk.

De meeste kunstenaars brachten hun zomers door in kolonies op diverse plaatsen in Nederland. Katwijk was geliefd vanwege de goede zeegezichten. Laren was in trek door de schilderijen met schapen op de heide, boeren met koeien en vrouwen in armoedige interieurs, van kunstenaars van de Haagse School. Rijsoord en Hattem werden bezocht. Egmond mag niet ontbreken in dit rijtje en Volendam werd de ultieme Nederlandse plattelandskolonie, die bij de toeristen onder de aandacht werd gebracht als het beeldschone, oude Holland. Het Volendamse beeld werd door het Amerikaanse publiek het best herkenbaar als Nederlands.



Op veel schilderijen van Amerikaanse kunstenaars zien we de klederdracht voorbijkomen, al dan niet overeenkomend met de desbetreffende plaats. Gari Melchers (1860-1932) schilderde vrouwen vaak met hoofddeksels die alleen in Brabant werden gedragen, maar afgebeeld staan in plaatsen buiten Brabant. Andere kunstenaars combineerden klederdracht uit verschillende steden en regio’s. Op het schilderij Paaszondag (1910-1911) heeft Melchers de vrouwen willekeurig voorzien van allerlei Nederlandse klederdrachten om het plaatje visueel aantrekkelijker te maken. In Holland (1887) – cover boek – van Melchers toont twee Hollandse boerenmeisjes op de steile helling van een zandduin, de een wacht op de ander terwijl ze naar huis lopen. Het melkmeisje draagt een elegante jurk met een pelerine terwijl het andere meisje gekleed is in haar werkkleding met op haar hoofd een gehaakt mutsje (een vergelijkbaar gehaakt mutsje staat afgebeeld in Overijsselse streekdrachten van Wielent Harms, pagina 157). Boven aan de helling zien we een windmolen en de bekende rode dakpannen van huizen in Egmond aan Zee. Melchers verzamelde ouderwetse kleding en snuisterijen waarmee hij zijn taferelen van het plattelandsleven mooier en ‘authentiek’ maakte.
Melchers laat de pelerine regelmatig terugkomen op zijn schilderijen: De schaatsers (circa 1892) en Het gezin (circa 1895). Melchers deelde een atelier met George Hitchcock (1850-1913) en het is dan ook niet verrassend dat de pelerine ook opduikt in zijn schilderijen.



De kantwerksters (ca.1885-1900) van Walter MacEwen (1858-1943) toont drie zittende vrouwen die bezig zijn met het afwerken van de randen van een grote lap witte stof. De vrouwen dragen de Gelderse klederdracht zoals die was in de tijd dat MacEwen zijn zomers doorbracht in Hattem. In 1887 schilderde MacEwen Het spookverhaal in Hattem. Op dit schilderij zijn de vrouwen niet in de Gelderse dracht afgebeeld, maar dragen zij de klederdracht van Volendam. Het interieur doet niet typisch Volendams aan. Het vertellen van een spookverhaal door één van de vrouwen kan een verwijzing zijn naar de Veluwe (de regio waar Hattem ligt), die een lange traditie kende op het gebied van folklore en verhalen vertellen.



Van de zeven olieverfschilderijen van Wilhelmina Douglas Hawley (1860-1958), allemaal met Rijsoordse thema’s, is Twee vrouwen bij de rivier de Waal (1894) het enige gedateerde exemplaar. De twee vrouwen staan afgebeeld in de traditionele Rijsoordse klederdracht met elegante ‘krullenmutsen’. Deze doordeweekse mutsen (keuvels) zijn gemaakt van witte batist of gaas en werden op het hoofd bevestigd door middel van een paar gouden of vergulde krullen, ofwel spiraalvormige oorijzers. De ‘kantemus’, een muts met kanten sierstroken, was hoofdzakelijk bedoeld voor zondagen of speciale gelegenheden.



Carl Eugene Mulertt (1869-1963) laat in zijn pasteltekening Vissersmeisje bij de Oude kerk (1910) een ernstig portret zien van een meisje in Katwijkse dracht. Zij staat prominent op de voorgrond.



In 1892 bracht Elizabeth Nourse (1859-1938) de zomer door in Volendam. Nourse voelde een affiniteit met de katholieken van Volendam en ze bewonderde hun leven van hard werken en naar de kerk gaan. Zij schilderde een aantal Volendamse vrouwen en kinderen in hun dracht, die staan te wachten op de terugkeer van de vissers. Dit schilderij is jammer genoeg niet te zien in Singer Laren.



Een belangrijke kunstenaar die voor de bekendheid van Volendam in Amerika heeft gezorgd, was John Rettig (1858-1932). Van 1905 tot 1907 logeerde hij jaarlijks lange tijd samen met zijn vrouw in Hotel Spaander. In de jaren twintig keerde hij nog twee keer terug. Grote hoeveelheden Volendamse kostuums, Nederlandse meubelstukken en voorwerpen nam Rettig mee naar zijn huis in Cincinnati. Op deze manier maakte hij reclame voor Volendam. Voor zijn schilderij Het rode interieur (Maartje) (1906) poseerde Maartje Koning. Maartje is aan het breien en draagt de Volendamse dracht. De kamer geeft een goed beeld van een Volendams binnenhuis.

Voordat ik naar Singer Laren ging heb ik de informatie van de schilderijen aandachtig gelezen in de fraaie publicatie Dutch Utopia, Amerikaanse kunstenaars in Nederland 1880-1914. Goed voorbereid ging ik op stap. Een goed idee voor een volgend bezoek aan een tentoonstelling.

De schilderijen geven ons een beeld hoe de Amerikaanse kunstenaars eind 19e en begin 20e eeuw Nederland zagen. Voor textielliefhebbers valt er veel moois aan streekdrachten te ontdekken, ook al is het niet allemaal historisch verantwoord. De schilderijen waren uiteindelijk niet voor ons bedoeld, maar voor internationale beschouwers in Amerika, Frankrijk en andere Europese stedelijke centra, die waarschijnlijk niet zouden kibbelen over details van de streekdrachten.

Dutch Utopia, Amerikaanse kunstenaars in Nederland 1880-1914, paperback, 256 pagina’s met 125 illustraties in kleur, uitgegeven door Thoth, € 29,50. ISBN: 978-90-6868-548-0.

Singer Laren: Dutch Utopia. Zo zagen ze ons graag. Maar zo waren we niet. De expositie is te zien tot en met 16 januari 2011.

Ga je naar Dutch Utopia in Singer Laren, vergeet dan niet het prachtige werk L’Absente, 1889 (De afwezige op Allerzielen) van Walter MacEwen in je op te nemen.



Het schilderij toont een jonge vrouw en haar zittende vader die in slaap is gesukkeld terwijl zijn dochter in de Heilige Schrift leest. Een derde figuur – een spookachtige, half doorzichtige verschijning die de overleden moeder voorstelt – zit ook in de kamer. Is de verschijning opgeroepen door de ingedutte vader of door haar dochter? De dochter draagt een boomhul, een kap die hoort bij de traditionele klederdracht van Volendam. De rest van haar dracht is niet specifiek Volendams, noch die van haar vader.

Textielpost – Elzas I



MarianneP: ‘We zijn in Ste Marie in het Val d’Argent (Elzas). Hier vindt ieder jaar in september het Carrefour Européen du Patchwork plaats. Het Val d’Argent is een belangrijke plaats in de geschiedenis van de Amish en één van de (vele) exposities is altijd gewijd aan de quilts van de Amish en aan de geschiedenis van hun verblijf in Ste Marie.’

Jacob Ammann werd geboren in 1644 in Erlenbach in het Simmental, Kanton Bern. De Zwitserse bisschop verhuisde in 1693 naar de Elzas. Hij wilde de ‘broeders’ van de Elzas aanmoedigen voor meer discipline in hun religieuze praktijk en een eenvoudiger manier van leven te volgen. Hij wilde dat er in plaats van eenmaal, tweemaal per jaar het Heilig Avondmaal zou worden bediend (sacramenten waren niet zo populair bij de wederdopers), ook wilde hij dat gemeenteleden die een zonde hadden begaan aan de Meidung moesten worden onderworpen. Dat betekende dat zo iemand radicaal werd buitengesloten en geen contact meer mocht hebben met de groep. Ook verbood Ammann het bijknippen van de baard en wilde hij niet dat kleding werd voorzien van moderne knopen (de ouderwetse haken en ogen waren goed genoeg). Door zijn sterke persoonlijkheid kwam hij al snel in conflict met de oude doperse gemeenschap in Sainte Marie-aux-Mines, en later met die van Zwitserland en de Palts, die uiteindelijk leidde tot een breuk. Hij vestigde zich met zijn volgelingen in de vallei van Sainte Marie-aux-Mines. Hij zelf woonde in La Petite-Lièpvre waar men denkt dat hij als kleermaker heeft gewerkt. In 1712 verliet hij de vallei en verhuisde naar een plaats niet ver van Zellwiller, in de buurt van Barr. Alle sporen van hem zijn op dit punt verloren gegaan. Hij zou rond 1730 overleden zijn.

De Amish van tegenwoordig zijn de afstammelingen van de aanhangers van Jacob Ammann; hun naam getuigt ervan. De Ammann-mennonieten kregen het zwaar te verduren in de Elzas. Ze werden Häftler (haften = hechten, blijven zitten) genoemd, omdat ze hun kleding met haken en ogen sloten, in tegenstelling tot de andere mennonieten, de knopendragers of Knöpfler.

MarianneP is inmiddels weer thuis en vertelt het volgende over het quiltfestival in de Elzas: ‘Het Val d’Argent is een dal in de Elzas waar vroeger veel zilvermijnen waren. In de dorpen Sainte Marie-au-Mines, Sainte Croix, Liepvre en Rombach is in de maand september ieder jaar (dit jaar voor de 16e keer) een groot internationaal quiltfestival. Verspreid over de vier dorpen zijn op 22 locaties (de meeste in Ste Marie) exposities van quilts uit voornamelijk Europese landen met als eregast een land uit een ander werelddeel, dit jaar was dat Korea. Wij staan dan een aantal dagen op een camping in Ste Marie en dat is ook al leuk: een camping vol quilters! Verder zijn er in een grote hal winkeltjes met quiltmaterialen (meer dan 100!) uit alle landen, voor quilters een waar Walhalla. We hebben genoten van alle bijzondere textiele kunst, want er was heel veel modern werk en ook heel speciaal werk zoals bijvoorbeeld de insecten van Saskia van Dijk. Ook heel bijzonder vond ik het borduurwerk van Marie-Thérèse Saint-Aubin. En natuurlijk raak je niet uitgekeken op de Japanse quilts, die zijn van een perfectie, daar word je stil van.’

De Zeeuwse knop



In de 18e en 19e eeuw werden zilveren knopen op de hemdrok gedragen, lees ik in de publicatie Van de goudsmid, P.J. Minderhoud. Ik lees verder: ‘De knoop die was opgebouwd uit draadwerk, de zogenaamde braamknoop (later Zeeuwse knoop genoemd) was het soort knoop dat tot het uitsterven van deze mode omstreeks 1875, werd gedragen. Dat deze mode verdween zal voor pronkzuchtige mannen wellicht een zeker gemis zijn geweest. Op portretfoto’s van Walcherse mannen in hun beste kledij uit het einde van de 19e eeuw zijn toch weer zilveren zogenaamde Zeeuwse knoopjes te zien.
… Op Walcheren waren deze knoopjes, die onder elkaar op de zondagse boezeroen werden genaaid, kleiner dan de oorspronkelijke op de hemdrok.
… Op Walcheren droeg men meestal twee knoopjes, het aantal waarmee de boezeroen daadwerkelijk werd gesloten. Meestal werd dus het bolle knopmodel gedragen maar ook het platte soort, de zogenaamde Goese knop, kwam voor. Deze knoopjes werden al snel functieloos opgenaaid, omdat men de boezeroen toen achter in de hals met gewone knoopjes of haak en oog sloot. De twee zilveren knoopjes, vanaf circa 1900 sporadisch ook van goud, waren samen met de gouden keelknopen te zien in de V-vorm die ontstond wanneer het vest of onderbuis geheel gesloten was. Omstreeks 1915 raakte het gebruik van de twee knoopjes bij de nieuwe generatie drachtdragers uit de mode.’



De Zeeuwse knop wordt nieuw leven ingeblazen door de beeldend kunstenaar Tinka Leene. Zij ontwierp een bakblik in de vorm van een Zeeuwse knop. De bakvorm kan gebruikt worden om een cake te bakken in de vorm van een Zeeuwse knop. In oktober 2010 komt de eerste gelimiteerde oplage van 2010 bakvormen op de markt. Uniek, omdat de eerste 2010 vormen het stempel zeeuwseknop 2010 in de rand gestanst krijgen. De doorsnede van deze eerste gelimiteerde editie is 20 cm en de hoogte is 5,5 cm. Via de website kun je een bakblik bestellen en vanaf 1 oktober 2010 kun je een exemplaar verkrijgen bij deze verkooppunten.

Damast uit de Jouster kast



Aanstaande dinsdagmiddag (28 september) wordt van 13.30 tot 16.30 uur het damast uit de kast gehaald door Tine Oosterbaan, en wel in de Voorsalon van Pand 99 dat onderdeel is van Museum Joure. De kast is eind 19e eeuw gemaakt door een Jouster meubelmaker. Een deel van de linnengoedverzameling van Tine Oosterbaan ligt opgeborgen in deze kast.

Breng gerust je eigen damast mee, Tine Oosterbaan zal er graag informatie over geven. Pand 99 ligt aan de Midstraat 99, de Voorsalon is gelijk rechts.

Connected & Collected

In Kunstpodium T is werk te zien van:
Chantal Rens
Desiree de Baar
Helmut Smits
– Henriette Wiessing
Het wilde oog
– Jenny Watson
– Jet Vervest
Koen Delaere
Lambert Kamps
– Liesbeth Kaag
– Marcel Berlanger
Marianne Kemp
Marjolijn Mandersloot
Marrigje de Maar
– Matthieu Lavanchy
Sandra Backlund
Sanne Jansen
Sarah Corijnen
Sigrid Calon
Tanja Smeets
Tilleke Schwarz
Veerle Lavoir
Yvon Trossel

Met een hedendaagse textiele kijk zocht en verzamelde beeldend kunstenaar Sigrid Calon werken die haar raken. In Kunstpodium T toont ze in vijf vertrekken een inspirerende en verrassende tentoonstelling met werk van zowel gevestigde namen als talentvolle starters.

Connected & Collected is een gastproject in samenwerking met textielweekend en Sigrid Calon.
Op vrijdag 1 oktober is de expositie in Kunstpodium T te bezichtigen van 13.00 tot 20.00 uur en op zaterdag 2 en zondag 3 oktober kun je terecht van 12.00 tot 20.00 uur.



Tekens aan de achterkant van de merklap van Sigrid Calon. Dit werk is niet te zien in Kunstpodium T, maar wel ander werk van Sigrid.

Textielpost – Westeremden



Lies Huizer: ‘Vandaag (4-9-2010) een geweldige tocht gemaakt door het Groninger Hogeland. Het dorp Spijk bezocht en Uithuizermeeden. Als klapstuk op de dag bezochten we “de Weem” in Westeremden en werden we door de schilder Henk Helmantel persoonlijk rondgeleid. Koffie gedronken in zijn tuin en later nog eens een rondgang op de tentoonstelling. Nou werkte het weer ook geweldig mee… het was echt bijzonder. Er hingen twee schilderijen met een mangeldoek, eenmaal een stilleven met een schaal met fruit en deze met stoel, ik dacht, dat is een mooie voor Berthi. Dus bij dezen.’

Lies, je hebt me werkelijk verrast met deze textielpost. Dit is het eerste Nederlandse schilderij dat ik zie waarop een mangeldoek staat afgebeeld. Het is geen Nederlandse mangeldoek, hij komt uit Duitsland. De doek ligt dubbelgevouwen op de stoel. De afmeting van deze mangeldoek is circa 90 x 300 cm. Een prachtig stilleven!

Henk Helmantel is sinds 1967 kunstschilder in zijn geboortedorp Westeremden. Hij houdt zich met name bezig met het schilderen van stillevens en interieurs van gebouwen. Hij heeft al diverse solo- en groepstentoonstellingen gehad in binnen- en buitenland. Er zijn al diverse publicaties verschenen.
Henk en Barbara Helmantel wonen in de herbouwde middeleeuwse pastorieboerderij. Jaarlijks vinden duizenden mensen de weg naar ‘de Weem’ om de schilderijen van Henk Helmantel van dichtbij te bewonderen. Tot en met 2 oktober 2010 kun je nog terecht voor de jubileumtentoonstelling 1985…25 jaar…2010. Donderdag, vrijdag en zaterdag van 13.00 tot 17.00 uur.

Bokja Kever



Op de beurs in Milaan dit jaar werd de Bokja Kever bekleed met vintagestoffen. Hierna werd de Kever geveild op eBay. Tussen 14 en en 20 april 2010 kon je een bod uitbrengen. De opbrengst was voor Haïti. Angela Missoni werd de gelukkige nieuwe eigenaar.

Bokja houdt van felle kleuren en alle dessins door elkaar gemixed. Bloemen, ruiten, strepen, stippen, alles kan. Denk niet teveel na, maar combineer de stoffen. Op deze manier creëer je veel vrolijkheid in je huis.

Textielpost – Nagypall I



Elsbeth, Majo, Cis, InekeH, AnnekevH, TheaR, JeannetteP, FroukjeF, Thera, Els, Hanny, Ineke en Astrid hadden via Needles4all een weekje Hongarije geboekt. Hun gastvrouw was Frouke. Op de textielpost van 6-9-2010 schrijven zij: ‘Vandaag zijn we in het weefmuseum van Zengővárkony geweest. Erg leuk en veel vrouwen hebben hun slag geslagen in de museumwinkel waar mooie doeken te koop zijn, met het voor deze plaats typische rozemarijn motief. Op deze kaart een detail van een draagdoek uit de collectie van Frouke, die we vrijdag in het textielmuseum van Budapest gaan bezichtigen. Frouke’s doeken, totaal 30, zijn daar nu tentoongesteld.’



Deze dame geeft een demonstratie weven in het weefmuseum van Zengővárkony.



Deze foto laat voor de streek het typische ingeweven ‘rozemarijn takje’ zien. Dit ontstaat doordat een S en een Z getwijnde zwart-witte draad in de stof wordt geweven.

De foto’s in het weefmuseum zijn gemaakt door Elsbeth.

In deze log en deze log laat Frouke wikkeldoeken uit haar collectie zien.