Featured

Welkom op mijn weblog

Een duik in het fotoalbum leverde deze foto van mij op. Het is een foto van een paar jaartjes geleden. Een lach kon er toen niet van af. Zelfs een koekjestrommel kon me niet verleiden om een glimlach tevoorschijn te toveren.
Maar ach, het is toch een aardige foto met een verhaaltje. En ja, van verhalen daar houd ik van!

Ik draag een gebreid wollen jurkje, blauw met witte stippen.

Wie heeft het borduurwerk gemaakt?


Een maand geleden plaatste ik een bericht over een borduurwerk met de vraag wie dit heeft gemaakt: koningin-moeder Emma, koningin-moeder Anna-Paulowna óf misschien iemand anders? Voor een antwoord stuurde ik een mail naar Paleis Het Loo met daarin de vraag. Op 22 december 2016 kreeg ik het volgende antwoord:

Geachte mevrouw Smith,

Dank voor uw attente berichtje over wat u is opgevallen over het borduurwerk dat in de tafel is verwerkt.

Als conservator interieurtextiel heb ik gemeend dit borduurwerk aan Anna Paulowna te moeten toeschrijven op basis van de stijl van het patroon. De tafel is voor dit borduurwerk gemaakt, en het werd warempel goed beschermd achter het opklapbare deel van het blad. Ik ga derhalve niet uit van (licht)schade van een origineel uit het derde kwart van de 19de eeuw, waardoor vervanging later in die eeuw (door koningin Emma) noodzakelijk werd. Daarbij: ook na de dood van Anna Paulowna in 1865 werd haar gedachtenis zeer geëerd en zal men een ‘relikwie’ niet licht hebben willen vervangen.

De echte expert bent u natuurlijk en ik ben benieuwd of u mijn opvatting deelt. Paleis Soestdijk beschikt naar mijn weten niet over een harde bron die aantoont dat koningin Emma de maakster van het borduurwerk is. Als dat wel zo is, dan zou mij dat verrassen; ik meen dat ik de stijl of smaak van koningin Emma, waar het gaat om de keuze van patronen, enigszins ken.

Op uw site wordt gesuggereerd dat wij conservatoren elkaar hierover in de haren vliegen, maar stelt u uw volgers svp gerust: meestal vallen dit soort zaken wel op een vriendelijke manier te lossen.

Met vriendelijke groet,

dr. Paul Rem
Conservator Kunstnijverheid (meubelen en zilver)


Naar aanleiding van het antwoord van de heer Paul Rem stuurde ik de volgende mail:

Beste heer Paul Rem,

Hartelijk dank voor uw reactie. Ik zal uw antwoord op mijn blog plaatsen.
Toch heb ik nog een vraag. Op het tekstkaartje staat vermeld: wol en zijde. De zijde kan ik niet op mijn foto ontdekken. Dit kan wellicht komen doordat ik van enige afstand de foto heb moeten maken waardoor ik geen perfect zicht had op het borduurwerk. U dateert het borduurwerk uit de derde kwart van de 19e eeuw, dat naar mijn idee klopt. Vanaf circa 1850 is men de zogenaamde Berlijnse wol gaan gebruiken. Sinds de jaren zestig van de 19e eeuw werd wollen garen met de veel goedkopere anilineverven gekleurd, waardoor het ook een massaproduct werd.

U schrijft dat de tafel voor dit borduurwerk is gemaakt. De tekst op de tentoonstelling vermeld dat de tafel uit de jaren 1820 dateert en enkele jaren na de afscheiding van België kregen de Oranjes de persoonlijke eigendommen terug die zij daar hadden moeten achterlaten. Anna Paulowna plaatste de tafel op Paleis Soestdijk in haar salon.

Echter, het jaartal van de tafel komt dan niet overeen met de tijd waaruit het borduurwerk dateert. Misschien heeft u nog achtergrondinformatie waardoor dit te verklaren is?

Met vriendelijke groet,
Berthi Smith


Direct na het verzenden van mijn mail kreeg ik een automatisch antwoord: ‘Tot 4 januari zal ik niet aanwezig zijn en niet in de omstandigheid zijn uw elektronische berichten te beantwoorden. Paul Rem.’ Hierna werd het stil en is er geen antwoord meer gekomen op mijn laatste vraag.

Museum Vekemans – Waschen & Strijken . Brabant Goedgemutst


Gisteren bracht ik een bezoek aan Museum Vekemans in Boxtel. Het is een museum met twee gezichten: Waschen & Strijken en Brabant Goedgemutst.
De collectie Waschen & Strijken bestaat uit schilderijen, prenten en gravures, beelden, en een fiks aantal ambachtelijk gemaakte strijkbouten en verder talrijke meubels en mangelplanken.
Brabant Goedgemutst bestaat uit mutsen en poffers uit de tijd dat de moeders van onze moeders nog kind waren. Stuk voor stuk vertellen ze een levensverhaal. Tegenwoordig zijn hoofddeksels en kleding soms onderwerp van pittige discussies.


Museum Vekemans heeft een uitgebreide en bijzondere collectie waarbij de vele linnenpersen en mangelplanken een onderdeel van zijn. De mangelplank met rol was de voorloper van de trek- en draaimangel. Voor het mangelen met de trek- en draaimangel werd een beschermingsdoek om de rollen gedaan om zo het mooie linnengoed dat gemangeld moest worden te beschermen. Deze doek noemt men een mangeldoek. Hierover schreef ik in 2003 de publicatie Wascht en manghelt glat of ick sla iou vor iou gat. Deze tekst is afkomstig van een mangelplank uit 1663.

Soms kan er bij een museum met een uitgebreide collectie toch één of meerdere voorwerpen ontbreken. Zo ontbrak bij Museum Vekemans een 3 meter mangeldoek. Uit mijn verzameling zocht ik mooie exemplaren en ging hiermee op pad naar Boxtel. De keuze viel op een mangeldoek met een rode rand en een met de zeldzame blauwe rand. Eén van deze twee mangeldoeken staat afgebeeld in de catalogus van Zimmermann uit 1914, die ook werd toegevoegd aan de museumcollectie. Een mooie aanwinst voor het museum.


De mangelplank met rol was meestal een huwelijksgeschenk van de aanstaande man. In Nederland zijn mooie en oude exemplaren bewaard gebleven. Vaak met prachtig houtsnijwerk en soms met een tekst en datum. Een voorbeeld hiervan is de tekst van mijn publicatie Wascht en manghelt glat of ick sla iou vor iou gat en op één van de mangelplanken uit de collectie van museum Vekemans lezen we: Wit gewassen en net gevouwen dat is een sieraet voor de vrouwen.


Wasdag – Don Clarke, Mijas Malaga, mei 1999.


Doosijzers.


Doosijzer – Druppelmodel, België.

Hoeden uit Voerendaal


Marly Vroemen en Jos Verhoeven (foto: Raymond Rutting).

Sinds afgelopen maandag weet ik dat in Voerendaal (Zuid-Limburg) de grootste hoedenonderneming van Nederland is te vinden. Sinds acht jaar runnen Marly Vroemen en haar man Jos Verhoeven hun bedrijf International Design Hats vanuit een voormalige garage. Hiervandaan besturen zij drie winkels: in Amsterdam, Düsseldorf en Londen en wordt er naar 24 landen hoeden geëxporteerd. Bij de collectie van ID Hats moet je niet aan de uitzinnige creaties denken die je ziet op Prinsjesdag. De hoeden zijn met prijzen van 25 tot 300 euro vaak een stuk goedkoper en beter draagbaar. ‘Onze hoeden kennen veel minder propjes, bloemetjes en andere toeters en bellen dan die van de meeste andere merken’, aldus het echtpaar. De hoeden worden met de hand gemaakt, voornamelijk in Italië en Polen. Het zijn vooral de Bronté-hoeden die het bedrijf internationale erkenning hebben opgeleverd. Sterren als Yoko Ono, de weduwe van John Lennon, en zangeres Adele behoren tot de clientèle. Maar de mooiste verkoop was aan een landgenote. ‘Bij de Olympische Spelen in Rio en de laatste editie van Sail Amsterdam had koningin Máxima een Bronté-hoed op. Om je eigen hoed zo op tv terug te zien, op het hoofd van de koningin, is enorm kicken.’

Bron: de Volkskrant

Gion – geisha district van Kyoto

Matthijs en zijn vriendin maakten een reis van Zuid-Korea naar Japan. Via Seoul trokken ze naar Busan om daar de boot te nemen naar het zuiden van Japan. Van hieruit gingen ze naar Tokio, maar niet zonder een tussenstop te maken bij mooie en bijzondere steden. Een bezoek aan Gion – het geisha district van Kyoto – mocht niet ontbreken. Kyoto heeft 1,5 miljoen inwoners en jaarlijks komen 50 miljoen toeristen naar deze plaats waarvan 70% het de Japanners zelf zijn.


Dit bord tref je aan de rand van Gion – district van Kyoto (zoals de Japanse tekens zeggen) aan. Deze afbeeldingen vertellen je wat verboden is.



Het werk van de geisha begint rond de klok van 18.00 uur. In Kyoto hebben ze het niet over hunzelf als geisha wat artiest betekent, maar gebruiken ze meer de specifieke naam geiko, vrouw van de kunst. De jongere danseres krijgt in Kyoto de naam maiko, vrouw van de dans. De maiko is het type geiko dat wereldberoemd is geworden als het symbool van Kyoto. Een maiko ‘keert haar kraag’ zodra zij van maiko naar de volwassen geiko gaat. Maiko en geiko wonen en leren aan het begin van hun carrière in een okiya, een geishahuis. Daar volgen ze een uitermate streng regime van voortdurend leren en oefenen, qua intensiteit te vergelijken met dat van een prima ballerina. De eigenaresse van het okiya ondersteunt de geiko tijdens haar beroepsopleiding in alles en helpt haar bij het regelen van haar carrière nadat ze eenmaal haar debuut heeft gemaakt. De geiko woont een contractueel vastgestelde periode in het okiya, meestal vijf tot zeven jaar, en zal in die tijd de in haar gedane investering terugbetalen. Daarna is ze zelfstandig en gaat op zichzelf wonen, al blijft er een band, omdat het okiya als agent belangen behartigt. De uitzondering hierop is de geiko die is aangewezen als atotori, erfgename van het huis, de opvolgster. Ze draagt de achternaam ervan, door geboorte of adoptie, en woont er gedurende haar hele carrière. Maiko en geiko treden op bij zeer exclusieve feestmalen in ochaya, theehuizen. Tijdens besloten feesten vermaken ze daar regelmatig selecte groepen gasten. Ook treden ze in het openbaar op bij jaarlijkse uitvoeringen. De bekendste is de Miyako Odori, kersendansen. (Bron: Mijn leven als geisha – autobiografie Mineko Iwasaki)



‘Als er een geisha wordt “gespot”, dan wordt ze meteen belaagd door fotograferende toeristen. Geen wonder dat ze zo snel door de straten lopen. Pokémon vangen is er niets bij’, schrijft Matthijs op de textielkaart. De geiko/maiko op de foto wil blijkbaar ook niet graag gefotografeerd worden. Nadat ze in de gaten heeft dat Matthijs foto’s van haar probeert te maken, doet ze haar hand voor haar mond.
‘Voor het ongeoefende oog zijn de kimono’smono betekent ding en gecombineerd met ki van kiru, dragen, betekende kimono oorspronkelijk gewoon een kledingstuk – die een geisha draagt, ongeveer hetzelfde als die van andere Japanse vrouwen’, schrijft Liza Dalby in haar boek ‘Geisha’. Ze zegt verder: ‘De prachtige lange zwarte robe met zijn diepe rugdecolleté is de officiële kledij van een geisha, maar die draagt ze niet vaak. Haar gewone kleding bestaat uit een zijden kimono tot op de enkels, met halflange mouwen. De kleuren zijn iets gedekter dan die van andere vrouwen. De subtiele verschillen in mouwopeningen, kleuren en de manier van vastbinden van de obi – brede, zware sjerp die op de kimono wordt gedragen – waardoor geisha’s zich onderscheiden, zijn niet direct duidelijk, zelfs niet voor veel Japanners. Kimono’s vormen de grootste uitgavepost in het budget van een geisha. Als een jonge vrouw aan haar geishaloopbaan begint, moet ze er ten minste tien aanschaffen, inclusief de obi’s, om het hele jaar door in de gepaste kleding te kunnen verschijnen. Haar formele, lange zwarte robe kuro mon-tsuki voor Nieuwjaar wordt de rest van januari gevolgd door eenzelfde soort kimono, maar dan gekleurd, iro mon-tsuki. In februari en maart moet ze twee lagen kimono’s dragen, nimae gasane. In april is bij een formele gelegenheid een enkele gevoerde met een gewatteerde zoom vereist, en in mei een zonder wattering. In juni wordt de ongevoerde hitoe – ongevoerde kimono – uit de kast gehaald, in juli de licht zijden crêpe, in augustus de gestreepte, los geweven linnen uitvoering, en vanaf september komt de gevoerde awase – gevoerde kimono – weer terug.’


Op weg naar de volgende afspraak.

Mineko Iwasaki is misschien wel de beroemdste geiko. Zij had gesprekken met de Amerikaanse auteur Arthur Golden die het boek Dagboek van een geisha schreef. Het verhaal is gebaseerd op deze gesprekken, maar de Japanse is niet te spreken over dit boek. ‘Er staan onwaarheden in’, zegt ze in een interview met Libelle. Hij heeft met zijn boek haar vertrouwen behoorlijk geschaad en haar mede aangezet tot het schrijven van haar autobiografie. ‘Het zijn juist deze veelgehoorde vooroordelen over geisha’s die mij hebben doen besluiten dit boek te schrijven. Ik wil met dit boek alle misverstanden uit de wereld helpen en laten zien dat geisha’s sterke, onafhankelijke vrouwen zijn.’ Het is de moeite waard om deze autobiografie te lezen. Geisha van Liza Dalby is een boek vol geschiedenis. Interessant als je je wilt verdiepen in de geishawereld.

In 2009 was in de Kunsthal in Rotterdam een schitterende expositie van kimono’s waar je in dit bericht over kunt lezen en in 2015 was in het Rijksmuseum Volkenkunde in Leiden de prachtige expositie Geisha.

Joanna Lumley reisde van het noorden naar het zuiden in Japan waar een prachtige documentaire over is gemaakt die onlangs te zien was bij omroep MAX. Helaas is Joanna Lumley’s Japan niet meer te bekijken via uitzending gemist.

Vervolg Peredvizhniki – Russisch Realisme rond Repin 1870-1900

Voor de tentoonstelling Peredvizhniki – Russisch Realisme rond Repin 1870-1900 in het Drents Museum zijn veel mooie schilderijen bijeen gebracht, vandaar dat ik vandaag nog details uit enkele kunstwerken laat zien.


Detail: Op de schommel (1880) – Nikolay Yaroshenko (1846-1898). Schommelen is een geliefd volksvermaak tijdens dorpsfeesten. Yaroshenko schildert hier een typische scène uit het dagelijks leven met veel aandacht voor de personen. De soldaat maakt energiek zijn vriendin het hof, terwijl zij schijnbaar onverstoorbaar aan een zonnebloempitje knabbelt en schalks naar hem kijkt. De compositie geeft de snelle beweging van de schommel goed weer. De vrolijke kleurencombinatie zorgt voor een feestelijk gevoel.


Detail: Shrovetide (dagen voor Vastenavond) in St. Petersburg – Konstantin Makovsky (1839-1915)


Detail: Shrovetide (dagen voor Vastenavond) in St. Petersburg – Konstantin Makovsky (1839-1915)


Detail: Wat een vrijheid (1903) – Ilya Repin (1844-1930). ‘Ik heb een jong koppel geschilderd, wandelend langs de kust van de Finse Golf. Het is de tijd waarin de zee begint te bevriezen, wanneer de wind het water over de kust blaast en het verse ijs gebroken wordt’, zegt Repin over zijn schilderij. Hij schildert het werk als een lofzang op de overweldigende Russische natuur en de liefde voor het leven. De kunstcriticus Vladimir Stasov bestempelt het werk als een allegorie van de Russische jeugd ‘die haar moed, hoop en blijde verwachtingen niet verloren heeft, ondanks de rampspoed die haar overmand heeft.’ Het schilderij is in zijn ogen een voorbode en symbool van hoop voor de toekomst.


Detail: Dromen over de toekomst (1868) – Vasily Maksimov (1844-1911)

Dankzij het werk van de Peredvizhniki werd de grote armoede in Rusland voor iedereen zichtbaar. Hun schilderijen werden symbolen in het debat over sociale hervormingen. Hun kunst stond in dienst van de samenleving. De regering keek daarom met een kritisch oog naar de kunstwerken van de Peredvizhniki: alles werd politiek opgevat, ook als dat niet de bedoeling was. De Peredvizhniki balanceerden dus regelmatig op drie gedachten: wat zij zelf wilden maken, wat er van hen werd verwacht en wat was toegestaan. De kunstenaars werden daarbij bijzonder inventief in het opzoeken van de grenzen.
De tentoonstelling Peredvizhniki – Russisch Realisme rond Repin 1870-1900 is tot en met 2 april 2017 te zien in het Drents Museum.

Peredvizhniki – Russisch Realisme rond Repin 1870-1900

Een groep kunstenaars zorgden ervoor dat rond 1870 de Russische kunstwereld op zijn kop werd gezet. Samen waren ze op zoek naar onafhankelijkheid, naar de vrijheid om te maken wat ze wilden en te exposeren waar ze wilden. Ze noemden zich de Maatschappij voor Reizende Kunstexposities, maar kregen al snel de geuzennaam Peredvizhniki: zwervers of (rond)trekkers. Zij waren de eerste kunstenaars die niet alleen hun werk in St. Petersburg en Moskou lieten zien, maar reizende tentoonstellingen door heel Rusland organiseerden. Wereldberoemde zwervers waren Ilya Repin, Vladimir Makovsky en Valentin Serov. In de 19e eeuw waren de verschillen tussen arm en rijk groot in Rusland. De Peredvizhniki kozen ervoor om het leven van de eenvoudige Rus te verheffen tot kunst. Zij schilderden de gewone mensen op realistische wijze en schuwden onderwerpen als armoede, sociaal onrecht en honger niet. Het schilderij Wolgaslepers van Repin werd het icoon van de groep en deed Rusland op zijn grondvesten schudden. Deze en andere sociaalkritische schilderijen van de Peredvizhniki werden een wapen in de strijd voor maatschappelijke hervormingen.


Maaister (1871) – Konstantin Makovsky (1839-1915)

Dit schilderij is te zien op de tentoonstelling Peredvizhniki – Russisch Realisme rond Repin 1870-1900 in het Drents Museum. De tentoonstelling loopt tot en met 2 april 2017. Een aanrader! Tineke bezocht eveneens deze prachtige expositie en plaatste diverse foto’s van schilderijen op haar blog.

Paleis Het Loo – Moorse toiletkamer koningin Sophie


Koningin Sophie (1818-1877) was dol op de exotische ‘Moorse’ (Noord-Afrikaanse) stijl. Ze liet in 1863 een toiletkamer ontwerpen en inrichten. Na haar overlijden werd de kamer anders ingericht, maar de ontwerptekeningen bleven bewaard. Koningin Juliana had niets met de ‘Moorse’ stijl en leende alle meubelen uit aan de rekwisietenafdeling van de publieke omroep. Zo kreeg een grote spiegel uit deze kamer een rol in Tita Tovenaar, een kindertelevisieserie uit begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Bij de restauratie kwamen de meubelen weer terug naar Het Loo.

Eerste ‘jeansblauw’ afkomstig uit Peru


Al vijftien eeuwen vóór de Egyptenaren won men in Peru kleurstof uit planten om er textiel mee te verven. Dat blijkt uit analyse van een ruim 6.000 jaar oud stukje stof, ooit versierd met spijkerbroekblauwe strepen: het oudste stukje gekleurd textiel ter wereld. Archeologen onder leiding van de Amerikaan Tom Dillehay diepten het stukje handgeweven stof op uit Huaca Prieta, een kunstmatige heuvel aan de noordkust van Peru. Onduidelijk is van welk groter geheel het reepje stof, van slechts centimeters groot, ooit deel uitmaakte. ‘Daarvoor zijn de fragmentjes te klein’, zegt de Vlaamse chemicus Jan Wouters, die de kleuranalyse leidde.

Vast staat dat het textiel minieme restjes indigotine bevat, een blauwe kleurstof uit planten. Een unieke vondst, vinden kenners. Nog oudere stukjes textiel zijn wel bekend uit onder meer Turkije en Israël, zegt textiel-archeoloog Gillian Vogelsang-Eastwood van het Textile Research Centre in Leiden. ‘Maar ik ken niets dat zo oud én gekleurd is. Echt heel bijzonder.’ Het record stond tot dusver op naam van de Egyptenaren, die rond de 4.400 jaar geleden stoffen blauw kleurden.

Wouters vond ook sporen van spijkerbroekenblauw in vijf andere, recentere textielfragmentjes, uiteenlopend van 5.500 tot 1.500 jaar oud. Op het oog is er aan de snippers stof weinig te zien. Pas toen Wouters de weefstructuur van enkele minuscule fragmenten onder de microscoop open trok, zag hij vezels met een iets afwijkende kleur.

‘Dit duidt op textielkennis van een hoog niveau’, zegt Vogelsang-Eastwood. ‘Want indigotine winnen is niet gemakkelijk.’ Zo moest men de juiste plant ‘ontdekken’, die pletten en daarna laten weken in urine, om de kleurstof wateroplosbaar te maken, vertelt Wouters. ‘Je vraagt je af hoe men hier zesduizend jaar geleden op is gekomen. Ik vind dat zeer fascinerend.’

Bron: de Volkskrant. Lees het volledige artikel hier. Foto: Lauren Urana.